Voor een Pdf-printvriendelijke versie van deze recensie Klik hier
Sluit venster

Boek en druk


Recensietekst


Bron



Johanna

Aleida , druk 2, 196 blz.
Aleida kreeg een tweeden druk. Is dit op zich zelf nog niet een goede getuigenis voor een boek, van Aleida geldt dit wel. Het is 't verhaal van een meisje, dat een rijken vader had, na diens dood door een slechten oom in armoede wordt gehouden en door zeer veel lijden en gebrek, weder tot rijkdom komt; de laatste is daarom de hoogste, omdat Aleida door de beproeving haar hart aan den Heer geeft. Over het algemeen kan de uitbeelding van christelijk leven in dit hoek gegeven, wel worden aanvaard; voor zoover het ook geeft uitbeelding van niet-christelijk leven kon het laatste dieper zijn doorvoeld, de tegenstelling scherper zijn geweest. Vooral waar dit boek blijkbaar voor oudere kinderen (meisjes) bestemd is, mag dit met nadruk worden uitgesproken. Opmerkingen over maatschappelijke verhoudingen -- hier en daar voorkomende -- achten we niet het beste gedeelte van dit werkje en in den eersten druk misschien meer te verdedigen dan thans in den tweeden. Maar om dee verwikkeling, die het verhaal heeft, zal het boek gaarne gelezen worden door meisjes van 14 à 16 jaar. Echter rijst de vraag, of deze lezeressen reeds niet wat al te twijfelachtig zullen staan tegenover »den mooien afloop« van het boek, of zij niet reeds om die reden veel van het goede in 't werkje minder gemakkelijk zullen aanvaarden en vasthouden. Vooral in 't laatste gedeelte komt te veel toevalligs samen — wat jammer is; want vooral voor onze grootere jeugd geve de lectuur levensrealiteit. Taal en stijl zijn goed verzorgd. Het boekje kan worden aanbevolen. Boekbeoordeling in bijblad van "De Christelijke Familiekring : tijdschrift voor zondagsschool en huisgezin", 1912
Johanna

Aleida , druk 2, 196 blz.
Geïll. omslag in kleuren. Gecartonneerd. 4 zwarte plaatjes. Prijs 75 cent. Een heel mooi boek. Willem van Evelingen, een schatrijk koopman te Amsterdam, droeg op zijn sterfbed (zijn vrouw was reeds vroeger overleden) de zorg voor zijn beide meisjes op aan zijn broeder Jan, een ongehuwd man, te Rotterdam woonachtig. Deze was zeer hebzuchtig. Het gelukte hem, na den dood zijns broeders het grootste deel van de nalatenschap uit een brandkast te stelen. Aleida en Clara kwamen nu bij hem te Rotterdam op een bovenhuis wonen. Immer op eigen voordeel bedacht, onthield hij zelfs het noodige aan de weelderig opgevoede meisjes. Van hun buren, de familie Muller, ondervonden zij veel vriendschap, doch Clara, de jongste, werd door ontbering ziek en stierf, nadat een predikatie over Lukas 14:24 het middel tot hare bekeering was geworden. Aleida was troosteloos en leefde een tijdlang in opstand tegen God. Nadat haar oom in den echt getreden was, ontvluchtte zij weldra diens woning en werd bewusteloos door een gehuwde dochter der familie Muller op straat aangetroffen waarna zij doodelijk krank werd. Intusschen kwam een zuster harer moeder uit Indië terug, die haar in heur huis nam. Zij leerde gelooven in de opzoekende liefde Gods en verpleegde haren schuldigen oom, die alles bekende op zijn sterfbed. Zij huwde met den heer Van Bergen en bewoonde de villa Rozenlust. Gelouterd door het lijden, was haar verder leven Gode tot eer. Het verhaal is verdeeld in 22 hoofdstukken met opschrift. Wat de techniek er van betreft, komt het ons voor, dat het eerste hoofdstuk achterwege had kunnen blijven, dan ware tevens het zeggen van Aaltje, de werkmeid: "Zoo waar als ik hier zit", ons bespaard gebleven. Op blz. 12 wordt gezegd, dat ze erg veel van elkander hielden. Wij vinden dat niet erg en zouden zeer veel schrijven. Eigenaardig is het, dat de Schrijfster overal "Heer" gebruikt, behalve wanneer een Schriftwoord wordt aangehaald. Dan luidt het "Heere". Op de plaatjes hebben de weezen meer het voorkomen van vrouwen van eenigen leeftijd, dan van meisjes van 14 en 17 jaar. Dit is echter niet het geval op het gekleurde plaatje van den omslag. Hierbij teekenen we aan, dat dit weinig sprekend is. Een onderschrift bij ieder plaatje vinden wij altijd gewenscht. Dat de geldgierigheid een wortel van alle kwaad is, vinden wij duidelijk in Jan van Evelingen bevestigd. Evenzeer treedt duidelijk op den voorgrond, dat niet de stoffelijke dingen, maar alleen de geestelijke goederen in staat zijn, den vrede des harten te schenken. Hoe ook schijnbaar van God en menschen verlaten, de Heere waakt over Aleida: "God is een Vader der weezen." Treffend komt uit: "Hoe donker ook Gods weg moog' wezen, Hij ziet in gunst op wie Hem vreezen" en dat wij daarom geroepen zijn op Hem te betrouwen, óók in donkere dagen. Er zijn in dit boekje veel goede elementen. Er komen zeer schoone passages in voor. Toch hebben wij bezwaar tegen een paar onwaarschijnlijkheden. Wij kunnen ons niet voorstellen, dat Willem van Evelingen zijn broeder zóó weinig kent, dat hij de roekeloosheid heeft, aan zoo iemand het lot zijner kinderen in handen te geven. Het gedrag der meisjes dunkt ons al te naïef tegenover haar hardvochtigen oom. De man geeft ze des winters zelfs geen verwarming en toch prijzen ze hem in vollen ernst voor al, wat hij voor haar doet. Wij vinden dit onnatuurlijk. Ook is de "toevalligheid" al heel groot, dat het juist Johanna Muller en haar man moeten zijn, die Aleida 's avonds als zwerveling aantreffen. Dergelijke overdrijvingen ontsieren het verhaal, dat we ondanks onze opmerkingen toch om het vele goede, dat het bevat, van harte aanbevelen. 't Is een zeer nuttig boek, inzonderheid voor kinderen uit den gegoeden stand.

Boekbeoordeling van Kinderlectuur voor de Zondagsschool door de Commissiën van "Jachin", 1912

Johanna

Aleida , druk 4, 236 blz.
G. K. C. 0. 4 z. p. 22 t. d. t. f 1.50. (Banden 45 cent). Een heel mooi boek. Willem van Evelingen, een schatrijk koopman te Amsterdam, droeg op zijn sterfbed (zijn vrouw was reeds vroeger overleden) de zorg voor zijn beide meisjes op aan zijn broeder Jan, een ongehuwd man, te Rotterdam woonachtig. Deze was zeer hebzuchtig. Het gelukte hem, na den dood van zijn broeder, het grootste deel van de nalatenschap uit een brandkast te stelen. Aleida en Clara kwamen nu bij hem te Rotterdam op een bovenhuis te wonen. Steeds op eigen voordeel bedacht, onthield hij zelfs het noodige aan de weelderig opgevoede meisjes. Van hun buren, de familie Muller, ondervonden zij veel vriendschap, doch Clara, de jongste, werd door ontbering ziek, en stierf, nadat een predikatie over Lukas 14 vers 24 het middel tot haar bekeering was geworden. Aleida was troosteloos en leefde een tijdlang in opstand tegen God. Nadat haar oom in den echt getreden was, ontvluchtte zij weldra diens woning en werd bewusteloos door een gehuwde dochter der familie Muller op straat aangetroffen, waarna zij doodelijk ziek werd. Intusschen kwam een zuster van haar moeder uit Indië terug, die haar in heur huis nam. Zij leerde gelooven in de opzoekende liefde Gods en verpleegde haar schuldigen oom, die op zijn sterfbed alles bekende. Zij huwde en bewoonde de villa Rozenlust. Gelouterd door het lijden, was haar verder leven Gode ter eer. Het verhaal is verdeeld in 22 hoofdstukken met opschrift. Technisch komt het ons voor, dat het eerste hoofdstuk achterwege had kunnen blijven. Dat de geldgierigheid een wortel van alle kwaad is, vinden wij duidelijk in Jan van Evelingen bevestigd. Evenzeer treedt op den voorgrond, dat niet de stoffelijke dingen, maar alleen de geestelijke goederen in staat zijn den vrede van het hart te schenken. Alsook: "Hoe donker ooit Gods weg moog wezen, Hij ziet in gunst op wie Hem vreezen". Er zijn in dit boekje veel goede elementen. Er komen zeer schoone passages in voor. Toch hebben wij bezwaar tegen een paar onwaarschijnlijkheden. Wij kunnen ons niet voorstellen, dat Willem van Evelingen zijn broeder zóó weinig kent, dat hij de roekeloosheid heeft aan zoo iemand het lot van zijn kinderen in handen te geven. - Het gedrag der meisjes dunkt ons al te naïef tegenover haar hardvochtigen oom. De man geeft ze des winters zelfs geen verwarming en toch prijzen ze hem in vollen ernst voor al, wat hij voor haar doet. Wij vinden dit onnatuurlijk. Ook is de "toevalligheid" al heel groot, dat het juist Johanna Muller en haar man moeten zijn, die Aleida 's avonds als zwerveling aantreffen. Dergelijke overdrijvingen ontsieren het verhaal, dat we ondanks onze opmerkingen toch om het vele goede, dat het bevat, van harte aanbevelen. 't Is een zeer nuttig boek, inzonderheid voor kinderen uit den gegoeden stand.

Boekbeoordeling van Kinderlectuur voor de Zondagsschool door de Commissiën van "Jachin", 1929